Aardappel
Toen de Spanjaarden in de 16e eeuw het Incarijk plunderden, namen ze ook aardappelknollen mee. Rond 1570 trof men in een kloostertuin aardappelplanten aan. Ondanks de beschrijving door De Ciezo de Leon, werd de nieuwe plant niet onmiddellijk als voedselbron beschouwd, maar als een bijzondere tuinplant. Omstreeks 1600 beschreef de botanicus Carolus Clusius (1526-1609) de aardappelplant met de Latijnse benaming 'Solanum tuberosum'. Hij werd in 1594 professor aan de universiteit van Leiden en leidde daar de Hortus botanicus Leiden.

Botanicus Carolus Clusius
De Leidse botanicus speelde een grote rol bij de verspreiding van de aardappel in Europa, hij was ook verantwoordelijk voor de introductie van talloze sier- en kruidenplanten in de Europese gewesten. Via Vlaanderen en Duitsland heeft in ons land de aardappel als volksvoedsel bekendheid gekregen, zo rond 1760. Het bleek een goedkoop en een gemakkelijk te telen gewas. Toch duurde het nog tot begin 1800, dat de aardappel bij de grote delen van de bevolking op het menu stond. Dat in het buurland Duitsland weerstand was tegen het eten van aardappelen, blijkt uit het z.g.n. 'Aardappelbevel' van Frederik de Grote op 24 maart 1756.
Hoe groot oorspronkelijk het verzet was tegen het eten van aardappelen wordt geïllustreerd door Frederik de Grote van Pruisen, die zijn onderdanen in oorlogstijd dwong om aardappelen te telen. De 17e en 18e eeuw waren roerige tijden, vol oorlogen in Europa. En waar oorlog was, daar was ook hongersnood. Graanoogsten mislukten en de grote leiders zochten naarstig naar een ander eetbaar gewas. Botanici wisten dat er zo'n gewas bestond: de aardappel. Frederik de Grote van Pruisen (1712-1786) gaf het bevel om enorme velden met aardappelen te verbouwen: het 'Kartoffelbefehl'. Maar de boeren weigerden.

Aardappelveld
Het gezegde 'Was der Bauer nicht kennt, frisst er nicht' stamt uit het Pruisen van deze tijd. Frederik stuurde soldaten naar de velden om er op toe te zien dat de boeren het bevel toch opvolgden. En zo volgde er in de zomer van 1756 een prachtige oogst van aardappelen. Maar niemand wilde het eten. Volgens het verhaal heeft Frederik toen honderden boeren en soldaten bijeen geroepen om toe te kijken hoe hij zelf een bord vol met aardappelen verorberde. Kokhalzend en vol walging keek het publiek toe. Maar Frederik at smakelijk door. En bleef leven. Zo meldden de eerste durfals zich aan om ook een aardappel te proeven. En uiteindelijk werd Pruisen gered van de hongersnood. Het Pruisische leger sterkte aan en won veldslag op veldslag.
Doorbraak van de aardappel
Aanvankelijk waren er nogal problemen met de aardappelteelt vanwege het Noord Europese klimaat. Door selectie en kruisingen werden er rassen gekweekt, die beter tegen het klimaat konden en zo in de regio Europa, tot een beter resultaat moest leidden. Geleidelijk aan kon de aardappel de granen als caloriebron vervangen, iets wat vooral bij de minder bedeelde bevolking van groot belang was.
Tegenwoordig neemt van alle akkerbouw gewassen de mais, de eerste plaats in. Als tweede gewas komt de aardappel, met als bestemming consumptie, verwerking in de fabriek tot diverse producten en de teelt van pootaardappelen. De gemiddelde Nederlander eet per jaar, 86 kg. aardappelen, waarvan 53 kg. vers en 33 kg. in bewerkte producten, men moet dan denken aan patat, chips, aardappelpuree en andere producten waarin zetmeel is verwerkt. Het aardappelzetmeel dient verder als grondstof voor het vervaardigen van papier, textiel, lijmsoorten e.d.
Het kweekwerk
Na de introductie van de aardappel waren er eigenlijk geen rassen. Na 1850 constateerde men 'krul' in het loof, met als gevolg dat de opbrengst aan knollen aanzienlijk terug liep. Men ontdekte dat 'zaailingen' aardappelplanten uit aardappelzaad, hiervan geen last hadden. Vanuit die wetenschap is men begonnen met het doelbewust kruisen van aardappelen, waaruit rassen gingen ontstaan.
Geert van Veenhuizen die geleefd heeft van 1857 tot 1930, is de eerste succesvolle kweker geweest van aardappelrassen. Hij is de kweker van de Eigenheimers, Rode star, Thorbecke en Bravo. Nadien waren nog meerderen die zich op het kweken van aardappelen toelegden o.a. schoolmeester Kornelis de Vries van het nu nog bekende ras Bintje, in 1905 vernoemd naar zijn oud-leerlinge Bintje Jansma. Kornelis de Vries de onderwijzer uit het Friese Suameer, had negen kinderen. Als hij een nieuwe variëteit had, dan gaf hij die een naam van een van zijn kinderen of van zijn leerlingen. Beide heren stimuleerden boeren en hobbykwekers, om het kweekwerk ter hand te nemen.
Het 120 jarige kweekwerk en selectie heeft in de loop der jaren een groot aantal aardappelrassen opgeleverd. Een aantal rassen is in de loop der jaren uit de roulatie genomen, vanwege lage opbrengsten, ziektegevoeligheid of ongeschiktheid voor consumptie of andere doeleinden. Zeer veel rassen hebben zich gehandhaafd, zoals bijvoorbeeld de Eigenheimer en het Bintje. Nog steeds houden zich mensen bezig met selectie en kruisen van aardappelen.
In de rassenlijst is een groot aantal rassen van aardappelen opgenomen, met een beschrijving van de eigenschappen, de bruikbaarheid en de gevoeligheid voor ziekten. Zonder op details in te gaan kunnen we bij de teelt van aardappelen deze in twee groepen onderscheiden, namelijk de teelt van consumptieaardappelen, in de breedste zin en die van fabrieksaardappelen voor de zetmeelindustrie. De teelt van pootaardappelen voor beide groepen is in ons land van groot belang, niet alleen voor het binnenland, maar vooral ook voor de export.
Problemen bij de teelt
Het is van belang om niet elk jaar op hetzelfde perceel aardappelen te verbouwen. Wanneer men dit wel doet, krijgt men met meer ziektes te maken en ook de aanwezigheid van de onzichtbare 'aaltjes' (nematoden) die de wortels van de aardappelplant aanvreten. De opbrengsten lopen dan sterk terug. Men spreekt dan van aardappelmoeheid. Aangeraden wordt om, om de 3 á 4 jaar, op een perceel aardappelen te verbouwen. Ook het gebruik van poters zo uit de partij geeft vaak teleurstelling bij de opbrengst. Vlak na de Tweede Wereldoorlog hadden de aardappeltelers te maken met de Coloradokever.

Coloradokever
Deze mooie oranjegekleurde kevers met zwarte strepen, zetten eitjes af op de aardappelplant. Het grote aantal larven dat uit de eitjes voort komt is enorm vraatzuchtig. Wanneer geen bestrijding wordt toegepast, dan zijn de aardappelplanten met enkele dagen kaalgevreten, met als gevolg een zeer lage opbrengst. Door een goede bestrijding komt de kever bijna niet meer voor.
Phytophtora infestans
Een van de meest voorkomende ziekte is de aardappelziekte. De ziekte wordt veroorzaakt door een schimmel 'Phytophtora infestans'. De schimmel tast de bladeren aan en verspreidt
zich ook naar de reeds gevormde aardappelen, met gevolg dat deze gaan rotten. Ter bestrijding van de aardappelziekte, die zich vooral bij broeierig, vochtig warm weer, snel uitbreidt, kunnen bespuitingen worden uitgevoerd, voor grote percelen wordt dit zelfs met een vliegtuig gedaan. Verder komen er nog meerdere ziekten voorkomen.
Bij virusziekten spelen bladluizen een belangrijke rol. De telers van pootaardappelen selecteren regelmatig het gewas op het vóórkomen van zieke planten, deze worden verwijderd. In de akkerbouw neemt de teelt van pootaardappelen een belangrijke plaats in. Voor de verbouw van aardappelen in het klein of groot is het van belang om ziektevrij pootgoed te gebruiken in de vorm van goedgekeurde poters.
Besluit
De aardappelplant behoort tot de familie van Nachtschaden. Hierbij behoren ook de tomaat, aubergine, paprika en rode peper. Een aantal ziekten die bij de aardappelen voorkomen, komt ook voor bij bovengenoemde planten. De herfstvakantie van de scholen hebben we te danken aan de aardappelteelt. Het rooien van aardappelen was vroeger handwerk. Bij het rooien werd het hele gezin ingeschakeld, dus ook de kinderen. Die werden van school thuis gehouden om op het land te helpen. Toen heeft men de herfstvakantie ingelast.

Aardappelrooiers
Bronnen:
Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (C.G.N.) De teelt van aardappelen, door ing. J.A. de Jong