Van Lokaal tot kerk, Maranatha I
    Artikel van E. Boeve

    Wanneer men zo’n 60 jaar geleden over de Bovenheigraaf van Oldebroek naar Wezep reed, dan zag men aan de linkerzijde van de weg, op de hoek met de Looweg, een klein kerkje staan. Op de voorgevel staat “Maranatha”. Even verder rechts staat de “Looschool”. Het leek erop alsof deze twee gebouwen in het landschap waren verdwaald, zo eenzaam ze er stonden. Later is er in die omgeving wel wat bebouwing bijgekomen, maar het is nooit een echt centrum geworden. Toch was het een bewuste keuze deze gebouwen daar te plaatsen. Voor de bevolking van de buurtschappen ’t Loo, Stuivezand, Vreeweg, Vierschoten, de Lapstreek en de Hogenbrink, was de afstand naar het dorp Oldebroek toch wel groot; vooral als men bedenkt dat er toen praktisch geen fietsen waren en men te voet moest gaan, om ergens te komen.

    Hoe het begon
    In een vergadering van de kerkenraad van de Nederlands Hervormde Gemeente van Oldebroek van 23 oktober 1917, onder leiding van G.H. Beekenkamp, wordt naar aanleiding van huisbezoeken in ’t Loo en omgeving geconstateerd, dat het kerkbezoek van de mensen uit die omgeving heel gering is. Eén van de oorzaken is wellicht de toen heersende armoede bij die bevolkingsgroep.
    Ter illustratie: bij een kerkbezoek in het dorp diende men toch schoenen aan te hebben en de vrouwen een muts of hoed te dragen. Bij de meeste mensen ontbraken de middelen daartoe. In de discussie komt naar voren dat het gewenst, ja zelfs noodzakelijk is, om een Evangelisatiegebouw te bouwen, zodat afstand, het dragen van klompen, het niet dragen van muts of hoed, geen probleem is voor kerkbezoek. Door laagdrempeligheid wilde men oud en jong te winnen voor het Koninkrijk van God.

    Met algemene stemmen wordt besloten, dat de kerkenraad dit plan ter hand zal nemen. Als eerste wordt er gezocht naar een locatie, dat een middelpunt kan zijn voor de omliggende buurtschappen. Aan ds. Beekenkamp - die waarschijnlijk al enig voorwerk heeft verricht - is gratis een stuk grond ter bebouwing aangeboden. Staande de vergadering wordt een commissie gevormd, die de plannen nader moet uitwerken, Dit zijn ds. Beekenkamp, de ouderling B. van de Werfhorst en M.J. Goldschmidt en de diaken D. van ’t Veen en J. Bos. Als het gebouw klaar is, dan zal dit met de inventaris aan de kerkvoogdij worden overgedragen.

    Voortgang met de bouw
    De commissie die met de plannen is belast, werkt snel. In de vergadering van 11 dec. 1917, legt een Delfts architect, een tekening en bestek op tafel. De kerkvoogdij wil op Kerkenerf van G. Visch, een stuk grond in erfpacht afstaan en jaarlijks fl 200,- bijdragen voor de aflossing van de aangegane geldlenig. In de Elburger Courant van 26 januari 1918, wordt vermeld dat er een gift is binnen gekomen van fl 1000,- voor de bouw. Later worden er in de krant nog giften vermeld van drie keer fl 50,- en een keer fl 800,- van een dankbaar echtpaar. In de vergadering van de kerkenraad van 21 januari 1918, wordt besloten om tot aanbesteding over te gaan en de ambtslieden van de gemeente worden uitgenodigd. Voor de financiering zullen aandelen worden gedrukt van fl 100,-.

    Als opzichter voor de bouw wordt L. Nagelhout Gzn. benoemd. Op 6 februari 1918 vindt de aanbesteding plaats. De begroting van de architect voor de bouw was fl 6509,-. Er zijn twee inschrijvers: G. Nagelhout Hzn met fl 6650,- en G.J. Morren met fl 6442,-. De laatste krijgt de opdracht onder borgstelling van G.W. Reurink en L. Nagelhout Hzn. Omdat Nagelhout borg staat voor Morren, wordt hij het opzichtersschap ontheven.

    De kerkenraad besluit om dit zelf maar te doen. De oplevering van het gebouw is vastgesteld op 1 juni 1918. De kerkenraad besluit om het lokaaltje waar de Zondagschool in wordt gehouden - en dat eigendom is van de diaconie af te breken en de vrijkomende, geschikte materialen voor de bouw te gebruiken. De diaconie gaat hiermee akkoord, mits zij dan een aandeel van fl 100,- krijgt. Dit kleine lokaaltje heeft ergens aan of bij de Vreeweg gestaan. Als het Evangelisatielokaal klaar is, kan daar de Zondagschool worden gehouden. Aan de leden van de kerkenraad die over paard en wagen beschikken, wordt gevraagd, om de aannemer te helpen bij het vervoer van steen en andere materialen. De bouw verloopt voorspoedig en ds. Beekenkamp krijgt de eer van de eerste steenlegging. Ook het plaatsen van de aandelen verloopt goed.

    Op 16 juli 1918, wordt meegedeeld, dat er 65 aandelen à fl 100,- zijn geplaatst. In de notulen wordt precies aangegeven wie aandelen heeft genomen en hoeveel men heeft genomen. Als voorbeeld kan de familie Baron van Sytzama worden genoemd. Het kerkzaaltje heeft een afmeting van 13.8m x 8.2m en zal plaats bieden aan ca. 160 personen. Aan de achterzijde is een nette ontvangstruimte (consistorie) gecreëerd, een ruimte voor de Zondagschool en een halletje. Door de kerkenraad zijn 86 stoelen gekocht en aan de kerkvoogdij wordt gevraagd om een aantal banken uit lokaal 2 van het catechisatiegebouw in het dorp beschikbaar te stellen.

    De 86 stoelen worden in het midden opgesteld en aan de twee zijmuren, een rij korte banken. Het podium met lessenaar wordt voor in de hoek geplaatst, met daarnaast het orgel. Het orgel is van Amerikaanse makelij, heeft 6 spels (registers) en is gekocht voor fl 494,-, waarschijnlijk bij de fa. Schreurs in Elburg. Hiervoor was al een gift van fl 300,- binnen gekomen. Besloten wordt om de zitplaatsen niet - zoals in die dagen gebruikelijk was - bij opbod te verhuren, maar de helft van de zitplaatsen tegen een vergoeding van fl 2,- per jaar beschikbaar te stellen en de andere helft als zogenaamde vrije plaatsen te bestempelen. De voorste plaatsen worden gereserveerd voor ouderen en hardhorenden.

    De kerkenraad benoemt Goldschmidt (met als plaatsvervanger C. van de Poll) tot organist, met een vergoeding van fl 50,- per jaar. W. van de Kamp Jzn wordt belast met het opzicht en de wekelijkse schoonmaak. Men denkt hem hiervoor fl 50,- te geven, maar Van de Kamp wenst fl 75,- per jaar voor het kosteraat te ontvangen.

    Opening
    Nadat men op donderdagmiddag om 2 uur de gelegenheid had om het nieuwe gebouw te bekijken, vond op zondag 11 augustus 1918, om 6 uur de officiële opening plaats. Voor deze opening waren officieel uitgenodigd de leden van de kerkenraad, de kerkvoogdij, Burgemeester en Wethouders van Oldebroek en de familie Baron van Sytzama. Ter gelegenheid van de opening sprak Ds. Beekenkamp naar aanleiding van 1 Cor. 16:22. Indien iemand den Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking; Maranatha! Ds. Vonk, ook predikant van Oldebroek, was eveneens gevraagd te preken, maar was wegens ziekte verhinderd.

    Burgemeester Van Sytzama bracht namens het gemeentebestuur de gelukwensen over. Aan het eind van de dienst bedankte ds. Beekenkamp iedereen die aan de bouw had medegewerkt. In het verslag van de Elburger Courant van 17 augustus 1918 stond vermeld: Het was een waardige en gepaste avond, niet tegenstaande de benauwde atmosfeer. In de notulen heb ik niets gevonden over de naamgeving, voor de eerste maal komt de naam Maranatha voor in hun vergadering van 23 oktober 1918. In de volksmond gebruikte men heel vaak het “’t kerkien” of “’t gebouw”. In deze beginperiode worden er twee diensten per zondag gehouden, daarna een periode van alleen middagdiensten. Opvallend was dat de vrouwen in klederdracht in de Dorpskerk de muts op hadden, terwijl ze in Maranatha blootshoofds waren of een hoofddoek droegen.

    Overdracht.
    In een kerkvoogdijvergadering van 22 oktober 1918 komt een schrijven van de kerkenraad aan de orde over de overdracht van het Evangelisatie gebouw Maranatha op ’t Loo. De kerkenraad wil het gebouw met al de lusten en lasten aan de kerkvoogdij overdragen, onder de volgende bedingen: Elk jaar moeten er twee renteloze aandelen worden uitgeloot. Men stelt een bedrag van fl 250,- beschikbaar om de vergoeding van predikanten te kunnen betalen.

    Voor de elke zondag te houden Zondagschool, keert men per jaar fl 100,- uit. Men regelt de vergoeding voor de organist en het kosteraat. De kerkvoogdij besluit om de kerkenraad schriftelijk mee te delen, dat zij, onder dankzegging, het gebouw aanvaren. De vergoeding aan de organist brengt men op fl 40,- per jaar en met de fl 75,- voor kosteraat gaat men akkoord. In een volgende aflevering hopen we verder te gaan met de geschiedenis van Maranatha.